Extra

Het is niet dat ik hier zwijg, Alma

Het is niet dat ik hier zwijg, Alma.
Ook al heb ik dagen niemand meer gesproken – in mijn hoofd spreek ik wel, voortdurend, tegen mezelf, tegen jou.

Wanneer ik op dit oneindige strand loop, barst ik soms in zingen uit. Het overkomt me gewoon. Mijn eigen stem doet me schrikken, stelt me gerust – dat ik nog steeds helemaal in leven ben – weet je, het is hier diepdiep ademen, ik zing hier luidkeels voor de zee
heeee yo heeee
en kijk daarna om me heen, bang dat iemand me bespiedt.

Kijk me niet aan, ksjjj, ga weg, kijk toch niet zo, stop daarmee.

Nee, het is niet dat ik hier zwijg.
Maar op deze stranden is niemand meer.

Vraag me niet hoe ik hier terecht ben gekomen – ik staarde naar een kaart en zocht de kleinste plaats, zonder vluchtwegen, zonder ruis, een plek met randen, waar niemand me kent, waar ik ver kon kijken. Ik stapte op de veerboot, tussen een troepje mensen met goede schoenen, goede sokken, goede shorts, witte petten, een dun laagje haar. Toen we vertrokken, klonk uit de boxen op het dek ‘Forever Young’ van Alphaville.

°O

Blauwe haarkwallen. Mossels. Mossels. Nog meer mossels. Acht krabben binnen drie meter. Flamingoroze vlees, ik raap ze op en zet ze weer neer, het water spoelt over hen heen, zie ze spartelen.

°

Weet je nog hoe we spraken over hoe je soms iets maakt, iets van betekenis, en je je nadien helemaal niet meer herinnert hoe je zo ver bent gekomen, hoe je het hebt gedaan? Zo kwam ik hier terecht – nee nee nee ik maak hier niets meer, niets van betekenis. Maar sinds jij besloot te verdwijnen je af te scheuren me uit te wissen welk werkwoord moet ik ingodsgods heeee yo heeee sinds jij dit besloot, Alma, heb ik hier vaak last van. Ik kom op plekken, ik doe dingen, maar kan me niet meer herinneren hoe ik er ben geraakt, hoe ik het precies heb gedaan, waarom bevind je je nu hier, waarom heb je nu dit in je handen, waarom deze persoon waarom zonder jou.

°O

Ik vertelde de arts over mijn dromen. Ik vertelde de arts over mijn wakkere uren. Ik vertelde haar over het moeten liggen in het gras, soms urenlang. Ik vertelde haar over het zinken, de koorts. Ik vertelde haar over het bonken, het overspoelen, het hoge ademen. Ik vertelde haar, de overdagtijd gaat niet meer uit sluimerstand. De arts duwde op mijn diafragma. Ze zei dat ik overzicht moest bewaren.

.°Oo

Het is niet dat ik hier zwijg. Ik denk en schrijf, elke dag. Niet enkel nee niet enkel in het zand maar – is dit wel een verhaal dat ik wil bewaren? Alma? Is dit wel van mij, is dit wel ons verhaal?

Op z’n minst is er een landschap.

Op z’n minst is er een landschap waar ik vanaf de reling van de overzetboot naar kon kijken. Brede zandbanken, half onder water gelopen land, blauwblauwdiepdonkerzee. Daar voeren we, een grote veerboot met slechts drie mensen op het dek kruiste ons, van het eiland naar het vasteland. De drie mensen op de boot zwaaiden. Wij, veertien kalme armen, zwaaiden terug.

heeee y ooo o ..°0 00

Je zou deze plek niet begrijpen.
Je zou je ergeren aan de wind, aan het feit dat het net niet warm genoeg is terwijl je hier aan één stuk door zweet, aan de zee die net niet comfortabel genoeg is om te zwemmen, niets nodigt hier uit.

In het begin werd ik natuurlijk overal bekeken. Kleine pezige verwaaide vrouw, helemaal alleen, gebogen, speurend naar de vloedlijn. Schop, feloranje emmer. Bleek gezicht, donkere wallen, afgeschoren haar, wie zou raden dat ik bijna veertig word.
In het begin stelde niemand me een vraag. Ik spreek hun taal niet. Ik spreek met vingers, ogen, rug. Ik mompel, stop met kijken, ga wegga wegga wegga kr kr ksjjjjj vogel ksjjjjj.